← Table of contents
It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Note 1 — Voorberigt.

Reading edition

Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd, en mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo weinig gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn onderzocht en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken; dat geen Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter harte heeft genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend gebleven, bij anderen opzettelijk is achterwege gelaten; en dat men te ver is gegaan om door het Werk van Ubbo Emmius, die als de Feniks aller Geschiedschrijvers, gelijk Dousa hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands Historie voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek in het werk heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige hulpmiddelen en bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt hooggeschatten Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen, daartoe is mijne kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander van de leer der oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd worden; maar het is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt onvoorwaardelijk het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen overweging en grondig onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En dit is niet mijn oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt; maar vele geleerde en schrandere mannen, zoo als: v. Schwartzenberg, Ypeij, Visser, Amersfoordt, Westendorp, v. Halmael en anderen, die de Friesche Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde beweerd, tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang heeft bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest van de vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en waarderen, zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving, naar den geest en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins wenschelijk ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne pogingen in het werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling, aanmoediging en ondersteuning, ook bij den Heere Staatsraad, Gouverneur en Gedeputeerde Staten van dit Gewest, heeft gevonden, tot stand trachten te brengen, dan door omstandigheden, geheel van mij onafhankelijk, is hetzelve onvolvoerd gebleven1. Een gelijk lot heeft een tweede Ontwerp van den Heer van Halmael en mij, tot de Uitgave van een Geslacht- en Wapenboek van den Adel in Friesland, een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, moeten ondergaan. Ik heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene Uitgaven op eene andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten kan, laat ik het nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de Geschiedenis, ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de Nakomelingschap hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een beter gevolg in de erkende behoefte2 en den algemeenen wensch van hen, die de wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings