Note 57 — Friesche Kronyk.
Reading edition
Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, zelfs goud aan hunne stoepens57 lieten slaan. Waar van zy noch ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende58 Kinderen van Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper, om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht te hebben, quam met weite geladen aan de stad. ’t Welk zyne koopvrouw verstaan hebbende, was daar over t’ onvrede, en belaste den schipper, zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt, dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen.”