Note 85 — Friesche Kronyk. (continued 3)
Reading edition
Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande ’t voornaamste hier in, dat die van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos eene misse houden in ’t Kapittelhuis, en een brandende lampe voor ’t geheele geslachte. Wanneer iemand van ’t geslachte quam te verarmen, zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer; benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond.