← Table of contents
In het land der zon

Note 87 — IX. Naar Telogo Passir.

Reading edition

En werkelijk van het punt, waar de drie jonge dames stonden, hadden zij een prachtig gezicht op het meer, dat zich een twee honderd voet beneden haar in bijna ronden vorm uitstrekte. Alleen vlak tegenover haar, dus aan den zuidkant was de cirkelvorm ietwat afgeplat, en stak daar eene kleine bergachtige kaap eenigszins ver in het meer uit. De dalketel-wanden stegen steil uit het water op, en verhieven zich trotsch daar boven. De stijfheid der lijnen werd evenwel gebroken door het hoog geboomte, dat die steile omwanding bekleedde, zoodat de heldere meerspiegel, waarin de zon hare stralen verblindend weerkaatste, in eene bevallig hoog gebombeerde omlijsting van het levendigste groen gevat was. Het water was zoo helder, dat van de hoogte, waarop de drie vriendinnen dat tafereel stonden te bewonderen, de bodem van het meer, hier en daar met wit zand, waarnaar het meer genoemd was, en uitgebleekte lava-trachiet, en elders met donkergroene waterplanten bedekt, volkomen duidelijk te ontwaren was. Toch kon zich niet ontveinsd worden, dat dit meer zeer diep moest zijn. Het woud bestond voornamelijk uit Plosso-boomen87 waarop en waartusschen vele parasietsoorten en slingerplanten groeiden, die met hun levendig groen aan de meer donkere loofkronen van het hoogwoud met hunne roode bloemtrossen, die als gloeiende kolen schitterden, eene eigendommelijke maar bevallige schakeering bijzetten. Hier en daar waren geheele plekken van het helderste wit, of van het fraaiste violet of paars te midden van dien rijken bladerendos te ontwaren, dat waren daar plaatsen, waar een paar soorten Voortloopende Winde als de Tjakkar-beh-beh en de Tjoemplingan88, die met hare fraai witte kelkvormige bloemen geheele boschpanden met een grillig maar uiterst bevallig behangsel tooiden, en daarbij eene afwisseling in die meeromlijsting brachten, die verrukkelijk mocht genoemd worden. Ter rechter zijde der jonge dames steigerde de Goenoeng Eendil omhoog; achter haar een sterk verbrokkelde vulkaan-massa, die in den Argo Doemilak, in den Belo Boendoetan, in den Argo Boengko, maar vooral in den Lawoe hare hoogste toppen bereikte, en verleenden die aan het landschap een uiterst woest uitzicht, dat tot bewondering maar ook tot ernst stemde. Toen zij zich omkeerden, met den rug naar het meer, spreidde zich de dalvlakte van Madioen voor hare oogen uit, die uiterst bevallig tusschen de Willis89 en de Lawoe besloten was. Die dalvlakte, met hare rijstvelden, die amphitheatersgewijze langs de berghellingen afdaalden, met hare dessa-boschjes90, die als donkergroene eilandjes verrezen te midden der lichtgroene sawah’s91 welke onder de waterlaag die hen bedekte, glinsterden, met hare fraaie rivier, die van die hoogte gezien als een zilveren lint door het dal kronkelde, was verrukkelijk schoon te noemen. Onze bewonderaarsters stonden op de hellingen van den Lawoe; tegenover haar verrees de Willis en begrensde de vlakte in het oosten. In het zuiden omlijstte het Zuidergebergte het dal en daar ver in het noorden verhieven zich de Goenoeng Segoro Woeroeng en de Goenoeng Rendil, tusschen wier voorgebergten de Solo-rivier zich baan gebroken had, en sloten daar den gezichteinder met hun gekartelden rand af.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings