Note 84 — IX. Naar Telogo Passir.
Reading edition
De lucht was daarbij alsof zij geparfumeerd was. Geen wonder! De millioenen koffiestruiken, die de berghelling allerwege overdekten, waren in vollen bloei en terwijl die helder witte bloesems, in bundels in de bladoksels ontloken, de takken op pluimen deden gelijken, op witte pluimen geschakeerd met glinsterend, levendig groen, vervulden zij den dampkring met een zachten fijnen ambergeur, die verrukkelijk was. Aan iedere bladpunt hing een dauwdroppel, die, zoolang de lichte nevel zijn ijl kleed over het plantsoen uitstrekte, als eene matte parel prijkte, maar kort daarop als een diamant tintelde, en de heldere kleuren van het prisma allerwege weerkaatste, toen de zon den bergnok te boven was gerezen, den ijlen nevel voor zich uitdreef en het geheele landschap met haar licht overgoot. Hoog boven de regelmatig geplante koffietuinen wuifden de spaarzame loofkruinen van de schaduwboomen84, die in een koffietuin nimmer ontbreken, onder de morgenbries; maar zette aan het geheel eene eigenaardige bekoorlijkheid bij, daar die boomen thans in vollen bloei waren, en met hare purper-roode trosvormige bloesems eene vergulde tint hoog boven de aanvallige koffiestruiken vormden.