Note 76 — VII. Dienstregeling—Voor den krijgsraad.73.
Reading edition
„Iets ter mijner verdediging, heer overste?.… Neen, dat heb ik niet. Wat zou ik kunnen bijbrengen? Ik gevoel mij meer schuldig, dan de leden van den krijgsraad, waarvoor ik terecht sta, dat kunnen begrijpen. Neen, ik wensch mij niet te verdedigen! Of ik iets ter verontschuldiging aan te voeren heb? Och, veel ware anders geweest, wanneer te Harderwijk zich iemand mijner aangetrokken had. Maar, niemand, niemand die mij inlichting gaf! De werver, dien ik te Londen ontmoette, spiegelde mij alles van de mooiste zijde voor en verzekerde mij, dat ik binnen weinige jaren officier bij het Nederlandsch-Indische leger zoude zijn. Dat was mijn doel, dat was mijn streven. Ik kwam bij het Koloniaal Werfdepot aan. Men reikte mij daar bij het aangaan mijner verbindtenis zestig gulden aan, die ik zonder aarzelen aannam. Hoe zou ik ook hebben kunnen denken, dat dat geld een onoverkomelijke hinderpaal zoude zijn om mijn doel te bereiken? Toen ik bij het Engelsche vreemdenlegioen in dienst trad, ontving ik ook handgeld, maar dat stond mijne bevordering niet in den weg en ik kan met trots wijzen op mijne dienstverrichtingen als Engelsch officier. Ik kon er dus ook niet naar vragen, of het aannemen van dat handgeld mij benadeelen zou, en had ik er ook al naar gevraagd, dan betwijfel ik nog of bij den geest, die bij het kader te Harderwijk heerscht, ik nog wel behoorlijk ingelicht zou zijn geworden. Iedereen aast daar in dat Zuiderzeestadje op het bloedgeld, dat daar aan hen uitgereikt wordt, aan hen die zich voor de militaire dienst in de koloniën verbinden. Ja, bloedgeld! ik had dien naam wel eens hooren uitspreken; te laat begreep ik wat dat beteekende. Voor mij zijn die zestig gulden in werkelijkheid bloedgeld geworden; ik zal ze met mijn bloed bezegelen! Maar.… het gaat toch wonderlijk toe in de wereld. Ik vernam dat uwe Gouverneurs-Generaal, wanneer zij naar Indië vertrekken, een handgeld van 50,000 gulden ontvangen, dat is 10,000 gulden per jaar dienst, die zij zullen presteeren. Voor den soldaat bedraagt dat maar 10 gulden per jaar, daar hij slechts 60 gulden voor zes jaren dienst ontvangt. Maar die 50,000 gulden zijn voor den eenen geen hinderpaal om de hoogste waardigheid na uwen Koning te bekleeden, terwijl die ellendige 60 gulden voor den anderen een onoverkomelijk beletsel zijn om tot den officiersstand te geraken.… Vergeeft mij, mijne heeren, die uitwijding; maar.… ik herhaal, het gaat al wonderlijk toe in de wereld.…”76