Note 56 — V. Eene wandeling.—In de Concordia.
Reading edition
Onze wandelaars bekeken en bewonderden ook wel die woningen met hare omgeving, die toch niet te versmaden waren; maar vooral trokken de bewoners dier huizen, die zich thans schier allen in hunne voorgalerijen bewogen, om de frischheid van de avondlucht met volle teugen te genieten, hunne aandacht. Weinige paggers (heggen), die de erven gewoonlijk van den openbaren weg afscheidden waren zoo dicht, en de sierstruiken in de tuintjes waren nimmer zoo talrijk, om den bespiedenden blik van buiten te kunnen afweren. En het was een aardig volkje, wat daar waar te nemen viel. Verreweg het grootste gedeelte van die bevolking behoorde tot het gemengde ras, hetgeen voornamelijk door de kleur der huid verraden werd. Maar daaronder bevonden zich ook blanken, creolen uit volbloed Europeesche ouders geboren, of Europeanen met een schip in het land gekomen, zooals dat destijds heette. Het waren in den regel ambtenaren en klerken op de Gouvernements-bureaux beneden een traktement van ƒ 150 ’s maands.—Die daarboven ging, achtte zich te groot om in Gang Petjanongan en aangrenzende te wonen, en zocht eene meer aanzienlijke buurt.—Het waren geëmployeerden op de koopmanskantoren of in de toko’s (winkels) in de stad. In één woord het waren de beginnende in de Indische maatschappij. Vele van die mannen en die jongelieden, die daar ontwaard werden, waren of zouden bestemd worden om, tengevolge van minder grondig onderwijs en middelmatige opvoeding, tengevolge van gebrek aan geestkracht en werkzaamheid, tengevolge van wederwaardigheden en van het missen van de gunsten van de blinde godin Fortuna, maar ook sommigen tengevolge van lichtzinnigheid, van minder degelijk karakter, zich niet boven die sfeer van die buurt te verheffen. Anderen daarentegen zouden na korteren of langeren tijd de vleugelen uitslaan, het huisje, wat zij thans betrokken, soms met een of meer lotgenooten deelden, tegen een grooter en in voornamer kwartier verwisselen, de bendie,56 die hen thans naar kantoor of winkel bracht, tegen een smaakvollen milord, met fraaie Makassaarsche, misschien wel met hooge lompe maar zooveel deftiger Sydney-paarden bespannen, ruilen. Daar waren er onder, die later in een bont geborduurden rok zouden prijken, den chapeau-claque met bevallig gebaar onder den linkerarm zouden opvangen, alsof zij nooit iets anders gedaan hadden; er waren er, die als rijkaards, als millionnairs later door het leven zouden huppelen, om vroeg of spa in het oude Nederland eene villa te gaan betrekken, die thans nog niet in aanbouw was.