Note 40 — II. Weltevreden—Bij het suppletie-depot.
Reading edition
Na het ontbijt bleven zij nog een poos met kapitein Van Dam in de voorgalerij van het hotel praten, alwaar zij al de overige officieren van het suppletie-detachement aantroffen en zich daarmede gezellig onderhielden. Zij verbaasden zich gedurende dat vertoeven in die voorgalerij over het groote aantal „klontong’s” (rondventers), Chineezen, Arabieren, Klingaleezen, Javanen, die de nieuw aangekomenen bestormden met hunne aanbiedingen en met hunne uitstallingen. Hier spreidde een zoon van het Hemelsche rijk eenige linnens als: tafellakens, servetten, handdoeken enz. ten toon; ginds pakte een ander hemden, kousen, handschoenen, enz. uit; elders riep een Sjech de aandacht der kooplustigen op fraaie geborduurde muiltjes, op beeldig gebloemde sarongs, op fraaie stramien patronen enz.; verder bood een Javaan sigarenkokers, sierlijk fraai bewerkt van pauwenveer of van manilla-stroo, ruggenkrabbers, tandenstokers, oorbelletjes, klamboe-haken40, die laatste voorwerpen in ivoor, hoorn of zilver bewerkt; verder een Klingalees, met een akelig Semieten-type op het bruine gelaat, stalde kleedingstukken uit, wit linnen pantalons, piqué vesten, jassen van ananas-zijde, enz. enz. Zelfs was er hier en daar een, die een tafel of een knaapje, of een stoel op zijn hoofd droeg en den vreemdelingen aanbood hen in hunne meubelen te steken. Het was of die voorgalerij een bazar was. Niemand zag daar iets vreemds in. Integendeel verscheiden gasten van het hotel deden daar hunne inkoopen tegen spotprijzen, soms nog beterkoop dan in Nederland. Er waren er ook, die bij wijze van tijdverdrijf die arme kooplieden hun geheele rommeltje lieten uitpakken, alles in handen namen, alles beduimelden en alles bekeken, maar niets kochten. Er zijn zoo van die menschen, die geen hart hebben. De arme klontong’s durfden geen woord tegen de blanke onbarmhartigen zeggen; maar hier en daar verried een blik, wat er bij zoo’n bejegening in hun binnenste omging.