Note 184 — XVII. In extremis.—Eene amokhpartij.
Reading edition
De manschappen der 3de kompagnie, waarbij Herman den veldtocht medegemaakt had, en waarbij hij thans terugkeerde, waren allen verwisseld. Aanvankelijk was dat een Javaansche kompagnie geweest, die nu in eene Boegineesche veranderd was. Dat was een lastig volkje, althans vergeleken met de Javaantjes, welker gedweeheid het best met die der schapen kan vergeleken worden. Neen, vrije Boegineezen184 waren van een ander temperament. Had Herman ondervonden, dat de eerstbedoelden zacht van aard en bescheiden in hun omgang waren, thans ervoer hij, dat zijne nieuwe ondergeschikten ruw van inborst en brutaal in hunne uitingen waren. Van gedweeë volgzaamheid was geen spoor te vinden; integendeel, de geheele omgang met hen moest op een toon van gezag geschieden; de minste zachtaardigheid, de geringste toegeeflijkheid had eene verkeerde uitwerking, en moesten onmiskenbaar voor onvergeeflijke zwakheid gelden. Die mannen genoten zoo een roep van dapperheid en onversaagdheid, maar ook van blinde wraakzucht, vooral bij personeele geschillen, dat niet alleen krijgsmakkers van dezelfde huidkleur maar van andere rassen als Javanen, Madureezen, Maleiers, hunnen omgang stelselmatig vermeden; maar ook dat het Europeesche kader, hetwelk hen beheerschen moest, niet altijd die geestes-meerderheid kon uitoefenen, en steeds veel takt vereischt werd van wege den bevel voerenden officier, om de geschiktste sujetten te kiezen, die, zonder de rust in gevaar te brengen, de krijgstucht onwrikbaar stipt wisten te handhaven.