Note 177 — XVI. Op en rondom den Radja Bassa.
Reading edition
„Des namiddags moest er executie-parade gehouden worden. Een Lamponger moest ter dood worden gebracht. Sedert de terechtstelling van den armen Taugwalder vaart mij steeds eene huivering door de ledematen, wanneer ik het woord doodvonnis maar hoor. Ik had dan ook reeds het voornemen gemaakt de voltrekking van dit niet bij te wonen. Maar ik vernam dat deze doodstraf volgens de Lampongsche „adat”177 zou ten uitvoer gelegd worden, en ge weet de ethnologie der volken en stammen, waarmee ik in aanraking kom, te beoefenen, is bij mij een hartstocht. Ik woonde dus de terechtstelling bij. Terwijl ik op het daartoe bestemd pleintje buiten den kampong op de aankomst van den ongelukkige wachtte, vertelde mij een mijner collega’s dat de schuldige jaren geleden178 het kamponghoofd van Koenjaja vermoord had. Op aanwijzing van het kamponghoofd van Waiorang werd hij nu acht dagen geleden door een onzer patrouilles opgepakt als aanhanger van het opstands-hoofd Radhen Intan. Die aanhang kon niet bewezen worden, daarom werd hij wegens den vermelden moord aan de „Bitjara” (inl. rechtbank) overgegeven. Deze zat met de zaak verlegen, daar volgens inlandsche begrippen een klager moest bestaan, alvorens rechtsingang kon verleend worden, en deze niet aanwezig was. Toch veroordeelde die rechtbank den ongelukkige tot 1000 „roepiah’s” (gulden) „oewang banggoeng” (opstandings-geld) met bepaling, dat, wanneer die som binnen de drie dagen niet gestort was in handen van de nabestaanden van den vermoorden, hij „mati toembakh” (met de lans gedood) zou worden. Dat stond met een doodvonnis gelijk. Had men den veroordeelden een redelijken tijd gelaten om bij zijne verwanten, die heinde en ver woonden, aanzoek te kunnen doen tot erlanging van die som, dan zeer waarschijnlijk zou het hem gelukt zijn het vreeselijke lot, dat hem toegedacht was, te ontkomen. Op inblazing van een zekeren Hadji Ismaël werd met voordacht die termijn zoo kort gesteld om iedere hoop bij den veroordeelde den bodem in te slaan. Deze verwaardigde zich dan ook niet, toen hij die kenschetsende tijdruimte vernam, de minste poging aan te wenden, overtuigd als hij was, dat zijne boden de familieleden binnen dien tijd niet eens zouden kunnen bereiken.