← Table of contents
In het land der zon

Note 175 — XVI. Op en rondom den Radja Bassa.

Reading edition

„Van Tjantee is niet veel te vertellen. Onze troepen logeerden in eene ruime, luchtige bamboe-loods, die zeer goed ingericht was, maar het gebrek had, vlak naast de „missigit,” het bedehuis der Tjantee-ers, opgetrokken te zijn. Gij zult wel ervaren hebben, dat de Mohammedanen de Christenen als onreine wezens beschouwen en hen zeer ongaarne, en niet dan wanneer zij niet anders kunnen, in hun Heiligdom toelaten. Die missigit naast onze kazerne-loods, had tot gevolg, dat onze Europeesche korporaals en onderofficieren—Inlanders heb ik het nimmer zien doen—wel eens beschutting tegen de zonnestralen zochten onder de afdaken van hare voor- en achtergalerijen, en daar de frissche zeebries genoten, die in onze dicht omwande loods niet binnen dringen kon. Dat was der bevolking niet aangenaam; maar toen op een morgen de Kaoem,175 terwijl hij de geloovigen tot het morgengebed opriep, ontdekte, dat men zijne „bedoed,”176 waarop hij met alle godsvrucht sloeg, ontheiligd had, en dit instrument een verpestenden stank verspreidde, toen was de verontwaardiging algemeen, en kostte het onzen kapitein veel moeite om die verontwaardiging te doen bedaren. Gelukkig dat de schuldige, een jeugdig onbezonnen korporaal, voorgaf, dat hem dat doffe geroffel, drie maal daags op die ton, verveeld had, en hij daardoor tot zijne ondoordachte heiligschennis verleid was. De kapitein liet hem in de boeien klinken, en, ten aanschouwe van de geheele kampong-bevolking, gedurende het verdere gedeelte van den dag verblijven. Toen evenwel de zon ondergegaan was, liet hij den jeugdigen onbezonnenen aan boord brengen, om iedere verdere botsing te vermijden, of iedere wraakoefening te ontgaan. En dit was dan ook zeer verstandig gehandeld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings