Note 174 — XVI. Op en rondom den Radja Bassa.
Reading edition
„Als eene herinnering aan Merak, kan ik u nog mededeelen, dat ik daar, bij een mijner wandelingen op het strand, door de visscherbevolking een grooten inktvisch174 zag aanbrengen. Zij hadden hem gevangen in een der uithollingen van het koraalrif, dat het strand op eenigen afstand omgeeft. Bij eb was dat rif drooggevallen, zoodat het monster als in zijn hol gevangen zat. Het dier was van het hoofd tot aan het uiteinde van den staart 1½ M. lang. Zijne acht armen, allen van zuignappen voorzien, hadden ongeveer eene lengte van 1 M. Het had een paar akelige glasachtige oogen, zoo groot als een gewoon bord. Het lichaam was zakvormig, maar de staart had den vorm eener lans met weerhaken. Het hoofd zat met een geleding op het lichaam, alsof het in dien zak kon verdwijnen. Onder het lichaam te midden van de vangarmen, was de mond, die van een hoornachtigen bek voorzien was, wel overeenkomende met dien van een papegaai. Als men het dier plaagde, knorde het als een varken, en zweepte met zijn vangarmen woedend om zich heen. Ik ben overtuigd, dat zoo’n zweepslag, wanneer hij trof, een arm of een been zoude kunnen verbrijzelen. De Lampongers hakten het dier voor en na de vangarmen af. Ik ben er een paar machtig geworden, waarvan ik eene heerlijke soep gekookt heb, die voor de lekkerste palingsoep niet behoefde onder te doen. Ook het vleesch dier armen was heerlijk en zeer malsch. De bevolking at van dien inktvisch almede met graagte, en kostte het mij nog al moeite er iets van te bekomen.