Note 168 — XV. Een nachtelijk bezoek.—Bandoeloe.—Naar den Radja Bassa-top.
Reading edition
„Toen wij onze teleurstelling volop genoten hadden, stelde ik den luitenant voor den Radja Bassa-top te beklimmen. Ziet, die kegelvormige spits lag daar zoo uitlokkend voor ons. De helling scheen niet te steil. Het plantenkleed niet al te dicht, terwijl het pad verleidend zacht omhoog slingerde. Het was daarenboven nog zoo vroeg, dat het wel bespottelijk zoude zijn nu reeds terug te keeren, terwijl wij toch voor den avond te huis zouden zijn. In het kort, de luitenant liet zich bepraten. Aanvankelijk was het klimmen ook niets moeielijk; maar langzamerhand werden de hellingen scherper en wel soms zoodanig, dat wij op handen en voeten moesten klauteren, waarbij wij ons hier van een tak, elders van een wortel, dan weer van een vooruitspringende rots moesten bedienen, om ons naar boven te hijschen. Hijgend en afgemat kwamen wij zoo tegen twee uur op den bedoelden top aan.168 Merkwaardig viel het ons, dat, terwijl de weelderigste plantengroei ons op ons pad vergezeld had, de top en de helling, tot ongeveer 300 meter daar beneden, bijna kaal genoemd kon worden, en slechts met een stekelig kort gras bedekt was, dat niet vertikaal opschoot, maar horizontaal vertakt over den bodem kroop. Die top had eene oppervlakte die onregelmatig was, maar den ovaalvorm naderde, in zijne grootste lengte 120 en in zijn grootste breedte 80 pas mat, en lichtelijk van het oosten naar het westen helde.