← Table of contents
In het land der zon

Note 166 — XV. Een nachtelijk bezoek.—Bandoeloe.—Naar den Radja Bassa-top.

Reading edition

„Nu dan, toen de kedjineman ons naar bed joeg;… in het bosch en daar voor ons vertoonde zich eene borstwering voor ons oog, die de geheele breedte van de bergrib, die wij bestegen, innam en aan weerszijden aan de duizelingwekkende diepte leunde. Keek men in die diepten, dan zag men op de kruinen van uitermate hooge boomen neer, die met de struiken en ruigten daar eene wildernis vormden, die eene omtrekking langs die schier loodrechte hellingen onmogelijk maakte. Had de vijand dat punt verdedigd, Frank, dan had het bloed, zeer veel bloed gekost om het te bemachtigen. Maar zoo als ik reeds verteld heb, daags te voren was het reeds verlaten geworden. Wij trokken die borstwering langs of beter door, die eigenlijk maar een voorwerk vormde; want van af dat punt breidde zich het vlak der bovenbedoelde bergrib uit, en kwamen wij een honderd passen verder aan eene tweede borstwering, die thans een onregelmatig berg vlak aan de voor- en achterzijde omgaf. Aan de westzijde bestond zij uit een aarden wal van een paar meters dik, tusschen bamboezen binnen- en buitenomwandingen loodrecht opgezet. Aan deze zijde was niet veel gevaar te duchten, daar de westzijde door het voorwerk gedekt was, en daarenboven eene berggraat bestreek, waarop een aanvaller zich slechts in een zeer smal front kon ontwikkelen. De noord- en zuidzijden waren door geene omwalling gedekt. Daar verhief de berghelling zich bijna loodrecht boven de vlakte, waarin de grootste boomen als kinderspeelgoed schenen. Ik ben overtuigd, dat zelfs de apen nimmer beproefd hebben Bandoeloe aan die zijden te beklimmen. Maar langs de oostzijde, waar het plateau, waarop de benting lag, in de verdere hellingen van den Radja Bassa-berg overging, en waar dus een aanvallende vijand zijne macht ontwikkelen kon, was eene buitengewone sterke borstwering aangelegd. Deze bestond uit op elkander gestapelde rotsmassa’s waarvan de tusschenruimten met aarde aangestampt waren, die een hoogen wal vormden met naar buiten gerichte zeer scherpe helling, aan welker voet bovendien nog een vrij diepe droge gracht gegraven was. De borstwering had een zeer breeden basis, zeker wel 20 of 25 M., en waren in het binnentalud, dat vrij glooiend verliep, drie banketten gespaard, waarop schutters geplaatst konden worden, die door bamboekokers, dwars door de dikte der borstwering aangelegd, konden vuren. Wel is waar, was door zoo’n inrichting het schootsveld zeer beperkt, maar daartegenover stond, dat de verdedigers volkomen gedekt stonden tegen horizontale vuren; terwijl daar geen zwaar geschut te brengen was, om die borstwering in bres te leggen, altijd rekening houdende met de middelen, waarover wij te beschikken hadden. Nogmaals, wanneer de vijand hier ernstig weerstand geboden had, dan had het nemen van Bandoeloe ons op zeer groote verliezen te staan gekomen, want de aanvalbare zijde van het werk was daarenboven zooveel mogelijk stormvrij gemaakt, door „randjoe’s”166 en „borangs”167 waarmede de omtrek rondom het werk op aanmerkelijken afstand beplant was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings