Note 154 — XIV. Een wandeling.—Van Radja Bassa naar Bandoeloe.
Reading edition
„De kompagnie, waarbij ik sta, trok een paar dagen later op om de benteng154 Bandoeloe te bezetten. Deze vijandelijke sterkte was daags te voren, (16 Augustus) door eene andere kompagnie verkend geworden, en bij die gelegenheid verlaten bevonden. Onze marsch derwaarts liep eerst gedurende drie uren nagenoeg langs het strand. Frank, gij hebt de zeeboorden te Scheveningen of te Katwijk met hare kale duinkoppen gezien; gij hebt het moerassige strand te Batavia met zijne poelen en plassen, met zijne biezen en waterplanten kunnen opmerken. Geen van beiden geven u evenwel een denkbeeld van wat het strand hier te aanschouwen geeft. Het land verrijst hier onmiddellijk uit zee en gaat in de hellingen over van de lengteribben van den Radja Bassa-berg. De bovenste deklaag van die hellingen bestaat uit zeer vruchtbaren grond, waardoor zich langs de zee een muur van groen vertoont, die in het water schijnt af te dalen. Ik weet niet, Frank, of gij reeds prachtige natuurtafereelen in Indië gezien hebt; uwe brieven spreken er althans niet over; maar ik had wel gewild, dat gij dien marsch naar Bandoeloe hadt medegemaakt. Ons pad slingerde te midden van een weelderig struikgewas, en onder de schaduw van zeer hooge boomen met breede en eerbiedwaardige kruinen, die door de Javaansche soldaatjes, „kemiri”155 geheeten werden. Ik heb dien naam onthouden, omdat zij, als er tijd voor was, de afgevallen noten van die boomen vergaarden, die ik rauw zeer lekker vond, maar die zij fijngewreven bij hunne toespijzen voor hun rijstmaal gebruikten. Het is mij onmogelijk om ook maar een heel klein gedeelte op te sommen van den plantenschat, die mij onder het oog kwam, maar ik geloof niet, dat er eene plek op aarde is, waar Flora op rijker en grootscher voortbrengselen kan wijzen. Het is hier de natuur, betrapt in hare volle pracht.