Note 123 — XI. In het Hospitaal.—De Rottanstraf.
Reading edition
„Daar stond ik. Gij zult mijn toestand gevoegelijk begrijpen. Het was om wanhopig te worden! Veertien dagen provoost, dat stond er op, dat zou mij de Rijn niet afwasschen! En met die veertien dagen provoost ging een groot gedeelte mijner vooruitzichten verloren; want een tweede ongeluk zou mij in het verderf storten. Gij zult mij zeggen, dat ik beter had kunnen oppassen! Frank, bij alles wat heilig is! ik had mijn plicht stipt gedaan; ik had den man geen oogenblik uit het oog verloren, en ongetwijfeld heeft een der manschappen van het escorte hem moeten behulpzaam zijn, om aan dien drank te komen; want hij kent de taal des lands nog minder dan ik, en nog eens; ik was steeds bij hem. Wie gaat ook denken, dat arak binnen pompelmoezen besloten kan zijn. Hij heeft ook alleen de uren kunnen bezigen, terwijl ik vermoeid van den marsch rustig sliep, om zich te bedrinken. Maar, wat nu gedaan? Door bemiddeling van het kamponghoofd kreeg ik eene „tandoe”123 met twee dragers om den bewusteloozen verder te transporteeren. Dat zou evenwel niet geheim kunnen blijven, want dat hoofd moest door bemiddeling van den controleur van het gewest de noodzakelijkheid der verstrekte transportmiddelen door den officier van gezondheid te Serang, hoofdplaats der Residentie Bantam, doen bekrachtigen. En die zou met dien dronkenlap niet om den tuin te leiden zijn. Ik herhaal het, ik was wanhopig.