Note 120 — XI. In het Hospitaal.—De Rottanstraf.
Reading edition
Het was intusschen geheel nacht geworden. Niemand was in de buurt. Herman smeet zijne ziekenjas en broek uit en was spoedig te water. Het verlichte voorwerp was in den stroom geraakt, die op de gemelde kaap brak en zette thans naar de overzijde. Toen het evenwel het midden der rivier bereikt had, dreef het, even ver van beide oevers verwijderd, voor den stroom af. Herman had niet te veel beweerd, toen hij zeide als eene eend te kunnen zwemmen. In weinige slagen was hij bij het begeerde, en had er de hand op gelegd. Hij stootte het voorwerp nu voor zich uit en bracht het zoo aan wal. Op het drooge gebracht, bleek het een vlotje te zijn, bestaande uit draagbalkjes van een pisangstam gesneden, die het een groot drijfvermogen verleenden, en waarop een klein rasterwerk van bamboe aangebracht was. Op de vier hoeken brandden roode waskaarsjes, en daartusschen lagen op een groot bord gerangschikt vier stuivers-broodjes, acht gekookte eendeneieren, vier kippeneieren, een paar katoepats, eenige stukjes dengdeng, een groote tros „pisang radja,”120 een paar pompelmoezen en een zakje waarin een paar gulden en eenig kopergeld. Naast het bord stond een aarden pot, waarin.…