← Table of contents
In het land der zon

Note 106 — X. De aankomst van de brievenpost op een landhuis.

Reading edition

„Gelukkig, dat alles is voorbij. Twee dagen later vertrok ik naar Ngawi, mijne bestemming. Dien weg hebt gij met uw huisgezin ook afgelegd, maar in uw ruimen reiswagen, onder geheel andere omstandigheden dan ik dat gedaan heb. Voorgelicht door kameraden, had ik in plaats van een „koeda galaddak”, waarop ik volgens de regeeringstarieven slechts aanspraak had, een „koeda haloes”106 genomen, natuurlijk met bijbetaling van zooveel, en meende nu geborgen te zijn. Er was mij veel verteld van zoo’n „koeda haloes”; maar ik ben nogal goed ruiter, zoodat ik er niet aan twijfelde of ik zou er wel komen. Maar, wat keek ik vreemd op, toen een ongelukkig paardje voorgebracht werd, dat mij kinderspeelgoed toescheen, zoo klein was het, van eene onbeschrijfelijke kleur, die in de kazerne met den naam van melkboerenhondenhaar bestempeld werd, met een bleek-gelen staart, die over den grond sleepte en bijgevolg alles behalve zindelijk was, met zeer lange manen, die nog langer schenen, daar het diertje den kop heel laag liet hangen, even alsof het als een jachthond den grond wilde besnuffelen. Het was daarbij houtmager en de beeldspraak, dat men zijne ribben kon tellen, mocht op dien naneef van Bucephalus zonder overdrijving toegepast worden. Het zadel, als het ding, wat er wel eenigszins den vorm van had, zoo mag genoemd worden, was niet van leder, maar van eene soort gestikt laken, dat, op vele plaatsen gescheurd en versleten, het vulsel nieuwsgierig liet doorgluren. De stijgbeugelriemen waren veel te kort, en de toomriemen waren met stukjes rottanreepen aan de stang verbonden. Mijne kameraden hielpen mij dien rommel met kunst- en vliegwerk in orde brengen. Mijne krijgsmakkers verzekerden mij, dat ik met dat kleppermansspul Oenarang wel zou halen, maar dat ik daar moest zorgen, dat mij een beter paard, maar ook beter tuig geleverd werd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings