Note 13 — I. Batavia.
Reading edition
Wat evenwel eenige afleiding bezorgde en onze gestranden nog al belangstelling inboezemde, waren niet zoozeer een paar korporaals der artillerie—waarschijnlijk de bewakers van de Welkomst-batterij,—die terwille van de beteekenis van den dag in groot tenu gekleed over den kaaimuur zeewaarts wandelden, dan wel hunne Javaansche ega’s, die achter die landsverdedigers aandrentelden. Ja, dat schouwspel was wel in staat de aandacht te boeien. Het waren twee jonge vrouwen, die haren fraaisten rooden sarong om de heupen en beenen, een blauw zijden baadje of jakje om het lichaam geslagen hadden, en een rood zijden zakdoek, waaraan een bos sleutels, door een zilveren ring verbonden, bengelde, over den schouder droegen. Het zeer slanke middel was door een breeden zilveren buikband van geleedde platen omsloten, die de heupen zeer voordeelig deden uitkomen. Aan de voeten klepperden slofjes van rood fluweel of rood katoen, dat was op dien afstand niet uit te maken; terwijl het overvloedige haar der schoonen à la Chinoise was opgemaakt, en middels een paar gouden of vergulde spelden in een dikken kondeh13 tegen het achterhoofd bevestigd was. Aangezicht en hoofd werden door een grooten veelkleurigen papieren pajoeng (zonnescherm) tegen de blakende stralen der dagvorstin beschut.