Note 1 — VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Liefde?” hernam Sirona lachend. »Phoebicius en liefde! Gisteren heb ik u immers verteld, hoe hij mij na zijne feesten, als hij dronken was of uit zijn onmacht ontwaakte, gruwzaam gekweld heeft? Maar hij heeft mij iets gedaan, iets, dat ook de laatste dunne band tusschen ons verscheurd heeft. Niemand heeft het nog van mijne lippen gehoord, zelfs vrouw Dorothea niet, die mij toch zoo dikwijls heeft berispt, wanneer ik een hard woord over mijn man niet weerhouden kon. Zij heeft goed praten. Had ik een echtgenoot als Petrus gevonden, dan ware ik misschien ook eene Dorothea geworden. Het is een wonder, hetwelk ikzelf niet begrijp, dat ik niet slecht geworden ben aan de zijde van dien onmensch, die mij, mij—waarom zou ik het verzwijgen—te Rome aan zijne legaat Quintillus verkocht had, nadat hij in schulden zat en door diens toedoen hoopte bevorderd te worden. Hij bracht den ouden man, die mij vaak was nageloopen, zelf in mijn huis; maar de brave vrouw, bij wie wij inwoonden, had de onderhandelingen afgeluisterd en mij alles verraden. Dat was zoo laag, zoo schandelijk mogelijk; ik bevlek mijne ziel als ik er slechts aan denk. De legaat heeft voor zijne sesterziën1 weinig vreugde gekocht. Phoebicius gaf echter dat zondig verworven geld niet terug, en zijne woede tegen mij kende geene grenzen, toen hij door toedoen van den bedrogen ouden legaat naar de oase werd overgeplaatst. Thans weet gij alles, en geef mij, zoo gij kunt, nu andermaal den raad, tot dezen man, aan wien ik ter kwader ure verbonden werd, terug te keeren.—Hoor toch eens hoe het arme diertje daar binnen jankt. Misschien wil het bij mij zijn, en het heeft de kracht niet zich te verroeren.”