Note 3 — V. Mijnheer Lieven Lazare, Pamfletschrijver, en Mijnheer Johan Doxa, Gothieker.
Reading edition
—Dit gebeurde op een sneeuwdag3. Ik nam Veronika bij de hand, en het arme kind begon stil te weenen. Ik merkte ook dat Johan Doxa in schijn zeer droevig was. Hij sprak niet, boog het hoofd. Het weer was klaar. De schuinsche zon speelde hoog in de lucht. Ik had mijne manuskripten en mijn linnen in een bruin pakpapier gewonden, en ’k hoorde den zenuwachtigen stap van mevrouw Doxa om en weer de houten kamer kloppen. Nadat ik mij tegenover Johan Doxa verklaard had en, als onvoldoende verontschuldiging, zijne schuchtere bewering “dat zijne vrouw waarschijnlijk zwanger ging en raar deed” ontvangen had met een schouderophalen, nam ik dus Veronika bij de hand en trad de trap af. Ik haastte mij niet. Ik wilde hem ten minste den tijd laten tot bezinnen. Ik hoopte, in mijne goedheid, dat deze man, eindelijk door God getaakt, mij zou achternasnellen, mij met een raak woord of een smeekend gebaar tot den vrede zou terugbrengen .... Neen, hij bleef daar hooge bij den drempel. Hij zweeg. Hij roerde niet. Buiten was de winter bezig. Waar moest ik nu gaan, met dat povere kind, o mijn God! Ik had geen geld, geen uitkomst. Die vent, dien ik mijn vriend waande, had mij de deur uitgesmeten ....”