Note 2 — V. Mijnheer Lieven Lazare, Pamfletschrijver, en Mijnheer Johan Doxa, Gothieker.
Reading edition
“Ik hoorde2 nu duidelijk een roezemoezend bedgescharrel en Johan’s gedempte stem. Ga weg, loop weg, smeekte Johan dof, kruip in de kast, kruip in het duivenkot .... o Heere! hoort ge dan niet, Lazare staat vóor de deur! .... Ik stond versteend. De twijfel knelde mij als een stalen gesp en ik voelde mij ineens precies door God zelf verlaten. Johan was daarbinnen, overgegeven aan de gemeenste der zonden, want niets, meer dan de onkuischheid, verlaagt den mensch in het aangezicht van God. Ik hoorde het spottend gegichel van eene vrouw. Ik schreeuwde: Doe open! Een vreeselijke klank droeg mijn woord en ik herkende mijn eigen stem niet. Toen—dewijl hij bang was, niet zonder reden—deed hij open, en ik zag hem, tegen den muur gedrongen, zijn vuile buik als een mestzak daar hangend, onder het scheefgetrokken hemd. Ik zag de roste haarpijlkens stekelig rechtstaan op zijne bloote dikke beenen en tegelijk zijn ronden kop, bleekglimmend van laffen angst. Op het bed lag zij. Zij was zeer onverlegen, en hare naakte armen lengden zich op het hoofdkussen in hare donkere haren, en hare keel was wit en lang, gelijk eene baan van melk. De duiven, achter de berden, deden een zoet geruisch. Ik sprak niet in den beginne. Ik wachtte naar de schrikkelijke vermaledijding, die de Hemel mij zou ingeven. Ik hief mijne hand op en werd gewaar dat ik ging losbarsten in tranen. God vernedert mij uitermate, dacht ik. Zijn naam is gebenedijd.”