← Table of contents
Het ivoren aapje

Note 1 — V. Mijnheer Lieven Lazare, Pamfletschrijver, en Mijnheer Johan Doxa, Gothieker.

Reading edition

Ondertusschen was Johan Doxa ook getrouwd. Hij had zich overgegeven aan eene middelmatige vrouw uit het volk, weduwe van een politieagent. Dit gebeurde op zeer geheimzinnige wijze en was de oorzaak der eerste ruzie, die tusschen hem en Lieven Lazare ontstond. Johan, die zich geheel als eene kreatuur van Lazare beschouwde, had den moed niet om aan zijn vriend de toestemming tot dat huwelijk te vragen en durfde nog minder tot de simpele verklaring overgaan, dat hij, zelfs zonder die toestemming, zinnens was “er een eind aan te maken.” Een eind aan wat? Dat wist hij niet, maar hij werd, jegens Lazare, zeer verlegen omdat hij ’t doen moest. Het huwelijk was, in zijn idee, iets dat men doen moet, iets waartoe men gedwongen is. De vrouw van den politieagent woonde in het huis, waar hij een zolderkamertje met een duivenkot gehuurd had, nummer 82 op de Papenvest. Hijzelf gebruikte het duivenkot niet. Hij had het aan den politieagent afgestaan, die er, om zijn pleizier, dakzitters in kweekte. Johan hoorde gaarne, terwijl hij over de fijn gestreken kleuren van een afgebeuld doek gebogen zat, het zachte getroetel der duiven of hun ruischenden vleugelslag, als ze, langs den witten kijker, hun vlucht namen over het grauw-roode spel van pannen en schoorsteenen. Maar de politieagent stierf schielijk, hetgeen Johan zeer betreurde, want hij ging reeds op een vriendschappelijken voet met hem om1. Men bracht den armen man op eene berrie naar huis. Zijne vrouw die niet leelijk was en Juliëtte heette, werd wanhopig en viel over zijn roerloos lijk aan het weenen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings