Note 1 — Oorlog met de Kannibalen en de gevolgen daarvan.
Reading edition
Wanneer daarentegen de waarde van het papiergeld in minder mate en met grootere tusschenpoozen op en neer ging, dan nam ook het verzekeringspercentage af, dat aan den verkoopsprijs werd toegevoegd. Wanneer b.v. een kleerenkoopman goederen verkocht op drie maanden crediet, voor papiergeld, waarvan de koopkracht zooveel kleiner was dan die van goud dat er 115 in papier noodig was voor 100 in goud, dan voegde hij 5% bij zijn verkoopprijs of hij wedde, dat de depreciatie van het papiergeld na die drie maanden uitgedrukt zou kunnen worden als 120 voor goud, terwijl hij voor een crediet van meer dan drie maanden veronderstelde dat de kans van depreciatie grooter zou zijn en om dat risico te dekken, voegde hij een gemiddelde verhooging van 10% bij zijn prijs. Als er nu aan het eind van het kwartaal 125 in papiergeld noodig was om 100 in goud te koopen dan verloor de koopman 5% bij afbetaling. Maar als daarentegen de koopkracht van het papier in tegenovergestelde richting ging en er na drie maanden slechts 110 in papiergeld noodig was om 100 in goud te koopen dan maakte hij een extra winst van 10% boven zijn gewone en wettige winst, terwijl een gelijken druk als een nadeel kwam op de schouders der afnemers,1