Note 1 — Het nieuwe Millennium.
Reading edition
Het eerste, wat zij deden, was den armen ouden Robinson Crusoe beschimpen, omdat deze tijdens zijn leven zijn volk had aangeraden om hun geld van goud te maken (dat alleen door arbeid geproduceerd kon worden, en niet door goochelkunstjes) en om hun papiergeld te maken van iets, dat goud vertegenwoordigde, terwijl hij toch had moeten weten dat goud “het werktuig en het overschot was van verdwenen despotisme,”1 en zij hielden volstrekt geen rekening met het feit, dat hij de vader van zijn land was en in een hol had gewoond. Vervolgens verklaarden zij, dat alle opvattingen, die de verdere menschheid tot nu toe had aangehangen, geheel verkeerd waren; dat de natuur haar best had gedaan om het eiland tot een afgezonderde gemeenschap te maken; dat de wetgeving afdoende had aangevuld, wat de natuur in dit opzicht nog onvoltooid had gelaten en dat derhalve de behoeften van het eiland met betrekking tot geld, papiergeld en al die dingen zoo eigenaardig en geheel eenig in hun soort waren, dat alle ervaring van de geheele verdere wereld te samen daarop niet toepasselijk was en dus ook niet leerzaam kon zijn. Allen waren het er over eens, dat de verderfelijke theorie, verkondigd door Robinson Crusoe, Vrijdag en andere menschen van vroegere tijden en andere landen—dat alleen een algemeen begeerenswaardig artikel goed geld kon vormen en dat geld altijd moest zijn het equivalent van de goederen, waarvoor het in ruil werd gegeven—de feitelijke bron was van alle geldelijke verwarring; want, was het niet duidelijk, dat, wanneer zulks het geval ware, alleen die menschen slechts in het bezit van geld konden zijn, die als die protserige tarwe-verbouwers, varkenshouders, huisjesmelkers of obligatie-houders, door arbeid vroeger in het bezit van nuttige goederen waren gekomen, welke zij in ruil konden geven als een equivalent voor geld?—terwijl het ware einddoel van alle geldelijke hervormingen en de sleutel tot het vreeselijke probleem der armoede toch klaarblijkelijk was om een soort van geld uit te vinden en in omloop te brengen, dat zij, die geen tarwe, varkens, vee, huizen, obligatien of andere artikelen bezaten, en die niet in staat of geneigd waren om iets dergelijks te verkrijgen, door hun diensten te verkoopen, zonder moeite en in overvloed konden krijgen.