Note 2 — Goud, en hoe zij dat leerden gebruiken.
Reading edition
Deze koopkracht stond in het begin nog volstrekt niet vast en was ook geenszins bestendig. Zoolang er slechts een kleine hoeveelheid goud was, was zijn koopkracht groot, maar toen de hoeveelheid, die aan de rotsen onttrokken of uit het zand gewasschen werd, aangroeide en den dorst van het volk er naar meer en meer verzadigde verminderde zijn koopkracht of waarde; en als de voorraad grooter was geweest en de vraag beperkt was gebleven tot binnen de grenzen van het eiland, dan zou zijn waarde op den duur ongetwijfeld niet grooter zijn geweest dan die van koper of ijzer of zelfs niet eens zoo groot. Maar, merkwaardig genoeg, bleef die groote toevloed niet aanhouden. De voorraad, die men in het begin en zonder veel moeite had verkregen, bleek ontstaan te zijn door een eeuwenlange verweering en bespoeling der rotsen; en toen, zooals weldra gebeurde, de gemakkelijk bereikbare voorraden aan de oppervlakte uitgeput raakten, werden de omstandigheden, die den toevloed van het goud bepaalden, totaal anders. Er was evenwel volstrekt geen gebrek aan goud. Inplaats van een zeer zeldzaam metaal, bleek het zelfs zoo algemeen verspreid te zijn, dat de scheikundigen en metallurgisten weldra sporen van goud ontdekten in welhaast ieder uitgestrekt bed van klei en zand, dat zij onderzochten.2 Maar aan den anderen kant bewees de ervaring, dat het niet alleen heel wat werk van de meest onaangename en uitputtende soort kostte, om een eenigszins aanzienlijke hoeveelheid van dat metaal te verkrijgen, maar eveneens een groot aantal andere artikelen. Met het gevolg dat velen, die aanvankelijk hun verschillende bezigheden, zooals kleeren maken, tarwe verbouwen, schepen bouwen, broodbakken en steenen muren en schoorsteenen maken, hadden neergelegd om goud te gaan delven, weldra tot de ontdekking kwamen, dat zij voor de gemiddelde opbrengst van een dag gouddelven niet meer nuttige of begeerenswaardige artikelen—voedsel, drank, kleeren, etc.—konden krijgen, dan voor de opbrengsten van een gelijke hoeveelheid arbeid besteed aan de meest gewone bezigheden; en de meesten gaven zelfs, op grond van hun persoonlijke ervaringen, volmondig als hun oordeel te kennen, dat men met ieder ander beroep beter en gemakkelijker zijn brood verdienen kon dan met goud zoeken.3