← Table of contents
Het Esperanto in Twintig Lessen

Note 1 — Tweede Les.

Reading edition

In de stad zijn groote tuinen. In den tuin van de stad groeien schoone bloemen en vliegen vroolijke vogels. Het kind speelt met den hond en de kat. De grootouders zijn gelukkig en tevreden. De kleinkinderen zijn nog jong. De lieve ooms en tantes. De verloofden zijn op het veld. De jongens en meisjes zijn niet droevig maar vroolijk. De dienstbode is niet gelukkig. De hond is een vriend van den mensch. De kat is niet groot maar klein. De paarden en de koeien loopen in het veld. De vogel vliegt. De haan kan ook vliegen1 maar niet zingen. Schoone bloemen en boomen groeien in den stadstuin. Het dorp is niet groot maar mooi. Het weder is heden koud en slecht. Is de moeder jong en schoon? Is het weder heden niet slecht? Zijn de kinderen van de buurvrouw lief? Is zij alleen in den tuin? Zingen wij mooi? Deze kat en die hond zijn van de buurvrouw. Dat kan niet. Wie is tevreden? Welke jongen speelt in den tuin? Wat is schoon? Hoe zingt de vogel?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings