Note 3 — VOORTBRENGSELEN, MIDDELEN VAN BESTAAN.
Reading edition
Wier is een zeegras waarvan men wil, dat Wieringen (oudtijds Wirom, Wiron) zijn naam ontleent. „Wier, bij de Latijnen Alga genaamd, is een zeekruit, dat in zoute zeewateren, op hooge slikken en verdronke waarden en Landen zijne wortelen schiet, en boven het gemeene water zijn loof, en dradige takjes of spruitsels vertoont, en de zee alomme als een grasrijke weide voor onze oogen verbeeld. Oudtijds wierd het, als onnut tot eenig gebruik, aangezien, noemende de Latijnsche Lierdichter Horatius hetzelve Od. 17, lib. III, Alga Inutilis, onnut zeegras, zoodat men bij de Latijnen, eenige geringe, en niet noemenswaardige zaak willende te kennen geven, en beteekenen, tot een spreekwoordt zeide: Vilior Algâ, Slechter dan wier. (Zie denzelven Dichter lib. II, Serm. Satyr. V.) Maar hedendaags is hetzelve, voornamentlijk in deze leege Landen, daar men van Duinen ontbloot is, en de zee met Dijken moet afkeeren, in groot gebruik gekomen, en wordt voor de beste stoffe gehouden, om op onze lichte en veenige gronden eenige Dijken te vestigen, pakkende het wier zoo vast in elkaar, als de allerbeste kleijaarde, waardoor de zeegolven, daartegen slaande, door de gladdigheit van de wier daar weder afrollen. Zoodat meenigmaal bij de Staten van den Lande, Plakkaaten en Ordonnantiën op het visschen en ophaalen van de wier gemaakt zijn.” (Toon. der Ver. Ned. door Halma.)