← Table of contents
Het Eiland Urk

Note 1 — DE MENSCHELIJKE EN DIERLIJKE BEVOLKING.

Reading edition

Uit den begeleidenden brief van den heer Nahuys aan den Hoogleeraar Schroeder van der Kolk ontleen ik het volgende.

„In het jaar 1845 liet de Baron van Lijnden van Hemmen te Wageningen, nabij den oprid van den Wageningschen berg, bij het Leksies veer, niet ver van den zoogenaamden eersten Christen tempel, aan de helling van de Rijnzijde van den berg, een gedeelte van dezen zinken, om hetzelve tot een strook bouwland aan te leggen. Bij die gelegenheid werden aldaar ook vele menschenbeenderen gevonden, hetwelk te meer verwondering baarde, omdat het geheel onbekend was, dat aldaar ooit eene begraafplaats geweest was. Dit vernemende, werd mijne belangstelling opgewekt, en in de nabijheid (te Oosterbeek) zijnde, verzocht ik den Baron van Lijnden de toestemming om aldaar oudheidkundige onderzoekingen te mogen doen en des noodig eenige vergravingen te mogen doen bewerkstelligen, hetgeen mij door gemelden eigenaar niet alleen welwillend werd toegestaan, maar zelfs werden eenige arbeiders ter mijner dispositie gesteld, om mij bij het doen van onderzoekingen aldaar behulpzaam te wezen.

„Hierop begaf ik mij van Oosterbeek naar gemelde plaats met den Baron van Wassenaar tot Catwijck en met den heer Spiering uit Tiel. Op het terrein komende overtuigde ik mij niet alleen, dat overal menschenbeenderen op den omgezetten grond waren, maar de werklieden, die aldaar arbeidden, lieten ons eenige schedels zien, en verhaalden ons, dat er nog veel meer gevonden waren, welke zij ook maar weder onder den grond gestopt, en sommige aan den rentmeester gegeven hadden. Ik liet op verscheidene plaatsen, vooral in den nog ongeroerden grond, graven, in de hoop sporen te zullen vinden, hetzij door voorwerpen of stukken van dezelve uit het dagelijksch leven, of anderzins, ten einde of het tijdperk te kunnen bepalen, in welke deze grond tot begraafplaats gediend had, of tot welken volksstam deze schedels en beenderen behoorden. Ik werd echter hierin zeer te leur gesteld, dewijl ik niets vond, waaruit ik iets bepaalds kon afleiden, want enkele stukken (drie of vier) van potscherven van germaanschen vorm en bakkelij, en de wijze, waarop deze in den grond lagen, gaven mij geen aanleiding genoeg om daarop gevolgtrekkingen te bouwen, zelfs niet om daaruit veronderstellingen te maken, vooral omdat ik dergelijke scherven op vele plaatsen aldaar in den omtrek gevonden had.

Twee zaken nogthans trokken bijzonder mijne aandacht; vooreerst de wijze waarop ik de lijken of liever de beenderen en schedels vond liggen, te weten er was geen blijk, dat deze in een kist, noch van hout, noch van steen, begraven waren geweest; integendeel zag men bij eene doorsnede van den grond, dat die lijken op den grond gelegd waren, rondom omgeven met houtskool, aan de eene zijde, even als van boven, maar gedekt met puin, en daarover de aarde of het zand. Meer naar boven van den berg werden ze boven elkander gevonden, doch in onregelmatige rigting. Ten tweede de vorm der schedels, welke nagenoeg van allen dezelfde was, en mij hoogst zonderling voorkwam.”

Tot hiertoe heb ik vergeefs getracht nog meerdere van deze schedels en beenderen te erlangen, doch er bestaat hoop op eenen lateren meer gelukkigen uitslag, door de mij vriendelijk toegezegde hulp van de heeren Baron Constant de Rebecque, den tegenwoordigen eigenaar des Wageningschen bergs, en O. G. Heldring, predikant te Hemmen. Ik voeg dus hier alleen nog bij, dat de laatste mij heeft berigt, dat hij eenmaal eene steenen wigge, waarschijnlijk van Keltischen oorsprong, heeft in handen gehad, welke op den Wageningschen berg gevonden was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings