Note 1 — IETS OVER DE VOORMALIGE GEWOONTEN, ENZ. DER TEXELAARS.
Reading edition
Van tijd tot tijd, toen de beschaving meer veld won, en, als een natuurlijk gevolg, meer behoeften kweekte, maakte de kleederdragt der onderscheidene standen, daartoe gedwongen door de Mode, telkens weder plaats voor andere, (niet altijd smaakvoller) kleedij, tot dat eindelijk die der 16de eeuw, hier lang heeft stand gehouden; doch eindelijk op hare beurt, door de latere en hedendaagsche is verdrongen.—Een boer uit dien tijd, droeg een’ gekleurd’ hemdrok of wambuis, daarover een overrok, bovenjak genoemd; eenen ruimen flodderbroek, een rond, laag gebold hoedje met breeden rand, en puntschoenen met striklinten of gespen.—De boerin, wier hoofd vroeger met een linnen mutsje was bedekt, droeg toen een kapsel, versierd met een’ zilveren of gouden haarnaald. Het jakje, vroeger algemeen van sarge, bestond nu uit zijde of laken, en prijkte met eenen leggenden of ook staanden, gepluisden kraag1, die tot vóór op de borst nederhing. De scharlaken bovenrok, was omboord met gewerkt geel zijden passement. De kousen waren gekleurd; meestal bruin of blaauw gespikkeld, en de schoenen, even als die der mannen met striklinten of gespen vastgemaakt.—Voorts zij hierbij aangemerkt, dat de kleur der linten, of die der andere kleedingstukken, het leggen der strikken, enz. de onderkenningsteekenen waren, tusschen gehuwden, ongehuwden en weduwen.