Note 2 — DE DORPEN, GEHUCHTEN EN BUURTSCHAPPEN OP TEXEL.
Reading edition
Naar men wil, zou dit gebouw omstreeks het jaar 1203, gedurende eenigen tijd tot gevangenis hebben gestrekt aan de rampspoedige Gravin Ada.2 Nog heden vertoont men er haar portret in olieverw, dat waarschijnlijk reeds vóór twee (?) eeuwen werd vervaardigd. In eenen aan het Weeshuis ten Oosten belendende, en door Regenten van dit gesticht in 1830 aan eenen partikulier verkochten schuur, geleid men den vreemdeling in het Zuidelijke gedeelte daarvan, langs eene, deels vervallen, steenen wenteltrap van zeven treden, door eene zware eikendeur, in een onderaardsch gewelf, dat bij eene lengte van 4.86 ellen, eene hoogte van 2.15 ellen en eene breedte van 4.19 ellen heeft. Dit ongevloerd en van roode moppen stevig gebouwde gewelf, zou de eigenlijke gevangenis van Ada geweest zijn. Meer waarschijnlijk echter is het, dat dit gewelf voormaals tot eene kloostergevangenis heeft gestrekt; althans, eenige in den muur bevestigde, zware ijzeren krammen, pleiten voor deze onderstelling.