Note 5 — Geschiedenis.
Reading edition
De Makassaren, die gezien hadden welk een schoon land Hoeamoal was, zetten zich onderwijl neder op Laäla en bouwden daar eene groote sterke vesting, alsmede eene aan de rivier Kahoela. Om daartegen te ageeren liet De Vlaming in twee weken tijds eene rij van 18 sterkten op de landengte van Tanoenoe leggen. Toen de heer Cos met zijne hongi terugkeerde en men dus meer krijgsvolk beschikbaar kreeg, tastte majoor Verheiden5 den 29en Juli de sterkte bij Kahoela aan, die hij met verlies van 14 dooden en 60 gewonden nam, terwijl hij zelf ook gewond werd. De vijand had een verlies van 130 dooden. Den 31en Augustus 1654 werden 45 corra2 op Toeniwara verzameld, waarbij zich 8 schepen en 10 sloepen voegden en den 6en September daarop viel men de sterkten van Asaoedi aan. Doch daar de zaak niet voorspoedig ging, verliet de heer De Vlaming met stillen trom het tooneel van den strijd om een diversie naar Laäla „de broodkamer” van den Makassaar te doen. Juist kwam koning Mandar Sjah uit Ternate met 4 corra2 en 800 man hulptroepen, die voor Asaoedi gelegerd bleven. Na een beleg van 5 dagen werd Laäla bestormd en na een zeer verwoed gevecht vermeesterd. De vijand begeerde geen kwartier en geen wonder, „alzoo zy gezien hadden, dat zekere troep Amboineesen, met een wit vaandel by den lieutenant Keller gekomen en voor eerst aangenomen, op last van den Veldheer dood geslagen was, en dat om hen te leeren, dat men met de zoo dikwils te vergeefs van ons aangeboden genade niet spotten, nog zich inbeelden moest, dat wy altyd als ’t hen in ’t hoofd schoot die te verzoeken, klaar moesten staan om die te geven.” Men begrijpt dat de strijd dus op leven en dood ging en zoo sneuvelden van den Makassaar 700 man, terwijl 400 werden gevangen genomen, die De Vlaming als slaven aan zijn troep gaf „dat ons volk grooten moed gaf, behalven dat er de Amboineesen nog veele, buiten ons weten, op de Coracora’s geborgen hadden.”