← Table of contents
Het eiland Seran en zijne bewoners

Note 1 — ERRATA.

Reading edition

De oude geschiedenis van het eiland Seran verliest zich in den nacht der tijden. Het aldaar wonende volk heeft nimmer een eigen schrift bezeten en ook de mondelinge overleveringen zijn weinige, en daarbij zoo verward, dat het onmogelijk is daaruit eene aaneengeschakelde historie van het verre verleden samen te stellen. Veel zal daarbij ook niet verbeurd zijn, want tot op den huidigen dag is het volk van Seran nog niet veel meer dan een eenvoudig jagers- en visschersvolk, dat in talrijke stammen over het groote eiland verstrooid, weinig meer doet dan elkander voortdurend beoorlogen en bemoeilijken in den levensstrijd. De oudste sage die bekend is in geheel West- en Midden-Seran zegt, dat alle stammen behalve die van Honitétoe, hunnen oorsprong hebben uit den grooten waringinboom Noenoesakoe, die zich ergens tusschen Roemah Soal en Manoesa Manoewé moet bevinden, eene tot dusverre geheim gehouden plek. Deze boom heeft drie zware stammen die naar het Noorden, Westen en Zuid-Westen wijzen, aldus de stroomgebieden der Sapoléwa, Eti en Tala rivieren aanwijzende1. De stam Honitétoe is van over de zee komen „aandrijven”, terwijl de kleinere eilanden vanuit het moedereiland zijn bevolkt. Die legende kan veel waarheid bevatten. De oudste geschiedschrijver van Amboina, de Mohammedaansche priester Redjali vermeldt dat de eerste menschen die zich op het eiland Amboina nederzetten, kwamen uit de Tanoeroe (Tanoenoe)bocht, onder een Alfoersch hoofd Patih Selan Binaur genaamd, terwijl het ook logisch is dat de kleinere eilanden eerst later bevolkt werden dan het groote, dat vrijwel algemeen Noesa Ina of Moedereiland wordt geheeten. De Honitétoe Alifoeroe verschillen ook werkelijk in vorm en geaardheid van het algemeene type Alifoeroe. Hun gelaatsvorm is meer ovaal en de huidskleur iets lichter. Verder weten wij, dat het eiland Seran en ook de Oeliassers reeds in 1400 onder het gezag der sulthans van Ternate, Tidore, Djailolo en Batjan stonden. De geschiedenis sedert onze vestiging is opgeteekend door den welbekenden historieschrijver van Oud-Indië, Valentijn, in het hoofdstuk „Ambonsche Zaaken” en zien wij hieruit, dat de beschrijving der vestiging en van het verblijf der Nederlanders op Seran, het verhaal is van altijd wederkeerende grootere en kleinere gevechten. Daar deze geschiedenis nauw verband houdt met die van Amboina en daar als doorheen geweven is, zoo zullen wij op beknopte wijze het belangrijkste daaruit trekken, dikwijls den heer Valentijn om zijn schilderachtig Hollandsch het woord latende.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings