Note 12 — Front matter
Reading edition
Niet dat de grond slechter was geworden. Hier in de Preanger was de aarde een brave, trouwe moeder; maar het zat hem in de moeilijkheid om water op de bergsawahs te krijgen. Hij herinnerde zich nog heel vaag den tijd—toen was hij nog een botja angon, die zijns vaders vee hoedde—dat in de Tjikanding-saät heel veel water was, meer dan men vaak gebruiken kon. Nu was de Tjikanding droog; ook in de groote Tjipalang was nauwelijks stroom meer en het was een heel verre weg, dien het water, op een hoog gelegen punt afgetapt, moest afleggen door een lange met den patjol12 gemaakte leiding om Pah Rekso’s veld te bereiken. En onderweg was dan voor de aanliggende sawahs al veel water gebruikt en het was een bitter schijntje dat op Pah Rekso’s rijstveld neersijpelde. Het was geen wonder dat de grond koppig was en weinig gaf in ruil voor het weinige dat hij ontving. De padi13 stond er schraal, en was nauwelijks voldoende, in de goede jaren, om voor de eigen voeding van het gezin te dienen. De beide laatste jaren was zij ontoereikend gebleken. Droge moessons waren het geweest. En Pah Rekso had zijn vrouws pending14, toen haar giwangs15, toen eindelijk een mooie toessoek kondé16 naar het pandhuis moeten brengen. Dat hij van de laatste moest scheiden, had hem vooral zeer gedaan. Hij had ze zijn vrouw gegeven een dag voor hun huwelijk. Ten was oud, voor een vrouw uit de desa dan, ze had ruimschoots de moederweelde mogen genieten; de tijd van het mooi-zijn was voorbij en de fraaie haarnaald had ze ook in lang niet meer gedragen. Die werd bewaard in het kastje onder het hoofdeind van het wrakkige, ruw-houten bed. Toch waren de beide oudjes er zeer aan gehecht en het kostte dagen van beraad en nachten van droef overleggen, alvorens besloten werd van het kleinood te scheiden. Het was grof werk, uitheemsch fabrikaat en bestond uit een ruw geslagen zilveren montuur en een slecht geslepen grooten steen, met nog wel acht kleinere steentjes daarom heen, waaraan een leek op het eerste oog kon zien, dat ze van het zuiverste glas waren. Alleen de groote steen, een troebele Indische robijn, onoordeelkundig bewerkt, had eenige, maar geringe waarde. De Chineesche pandhuis-pachter wist natuurlijk van de levensomstandigheden van het echtpaar Rekso af en wist de hem geboden gelegenheid te gebruiken. Hij gaf vijf rijksdaalders aan Siman mede. Dat was een teleurstelling voor de oudjes. Rekso had zelf niet willen gaan. Hij had het, hoe weinig sentimenteel hij ook was, niet over zich kunnen verkrijgen. En hij was blijde het ook niet gedaan te hebben, want voor vijf rijksdaalders had hij de speld niet afgestaan en toch had het geld er moeten zijn. Het was beter zoo. Ten had zuchtend het geld van Siman in ontvangst genomen en Ipah, Simans vier jaar jonger zusje, had later aan haar broer medegedeeld, dat ze moeder had zien schreien.