Note 2 — Front matter
Reading edition
Zij zaten voor hun huisje, Pah Rekso en zijn twintigjarige zoon Siman. Een armoedige woning was het, als de meeste woningen in de desa2 Tjidamar. De geheele desa was in waarheid niet meer dan een gehucht, een van de vele in de afdeeling Warnaleutik. Rekso’s vader, hij was reeds lang dood, had Tjidamar nog gekend als een welvarend dorp. Maar dat moest toch heel lang geleden zijn. Hoe oud hij zelf was, wist Pah Rekso niet. In de desa houdt men zich niet met leeftijden op. De klapperboom, dien zijn vader bij zijn geboorte geplant had, was jaren geleden door den bliksem getroffen. De kruin was geheel weggeslagen, en de slanke boom bijna tot aan den voet gespleten. Later was de dorre, zwarte stam, die als wanhopig den hemel om erbarming smeekte, door een hevigen windvlaag omgeworpen. Nog slechts een stronk, geen el hoog meer, was blijven staan; en langzamerhand hadden de witte mieren zich daarvan meester gemaakt. Dat was al wat er van Rekso’s leeftijdsmeter was overgebleven. Hij kon zich nog goed herinneren dat zijn boom zes en veertig ringen had, toen hij door het hemelvuur werd getroffen. Maar de tel der jaren was hem ontschoten. Als hij zich niet vergiste, was er nog driemaal lebaran3 geweest, daarna, toen zijn oudste zoon stierf aan de cholera, daar heel ver weg in de kotta4. Hij had het heel bij toeval vernomen.