Note 145 — Internationaal auteursrecht (continued 2)
Reading edition
Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888145, die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer, dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt, verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet geschieden met cliché’s van platen, gravures, etsen enz., waarvan dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald, opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen146. Volgens deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld147, zou dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen opvoering beschermd zijn.