Note 124 — Internationaal auteursrecht (continued 2)
Reading edition
De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke—ingeval van strijd door de inlandsche wet vast te stellen—vergoeding124. Het bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland, het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen, waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden.