Note 118 — Internationaal auteursrecht (continued 2)
Reading edition
In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt, ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten, ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan; het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189 sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid; met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht118. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2 Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld.