Note 113 — Internationaal auteursrecht (continued 2)
Reading edition
In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van 1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: „de bepalingen van art. 2” hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan gemaakt: „de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst”. Dit maakt in wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze, dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden, volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7 Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt—zooals wij gezien hebben—direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen—al wordt het afzonderlijk genoemd—is niet in de Conventie zelve gecodificeerd, maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die van artt. 4–7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid 2 Conventie 1908 „den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet mogen overschrijden”. Hierbij dient echter te worden aangeteekend, dat met den „duur” in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde „hoofdtermijn”, en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op- of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig jaar na den dood des auteurs113.