Note 109 — Internationaal auteursrecht (continued 2)
Reading edition
Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie, althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van 17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: „Bij toetreding tot de Berner-Conventie—wij herhalen het—zal het mogelijk zijn het bewerken van dergelijke schoolboeken” (boeken nl. waarin stukken van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) „te weren. Dit schijnt de bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt”: (volgt de tekst van het artikel). „Maar ’t spreekt van zelf, dat het geheel van de interpretatie van de uitdrukking „op geoorloofde wijze” en van „te sluiten overeenkomsten” afhangt, hoever de hier welwillend verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft met den reus!”109