Note 4 — TEGENWERKENDE STROOMINGEN.
Reading edition
Dit conflict tusschen staat en burgerlijke samenleving werden de burgerlijke staatsleeraren zich echter nooit geheel bewust. Immers, zij konden noch objectief genoeg tegenover de burgerlijke samenleving komen te staan, omdat zij de uitbuiting van menschelijke arbeidskracht, die aan deze ten grondslag ligt, niet konden toegeven, noch objectief genoeg tegenover den staat zelven, omdat zij in dezen niet het bepaalde klasse-instrument konden doorzien. Daarom behielpen zij zich altijd maar met frases en ontwierpen zij de frase van den burgerlijken „Rechtsstaat”, een mystiek ding, dat boven de menschen zweefde om objectief „recht te doen”4. Nu is wat recht is, in de burgerlijke maatschappij enkel te weten uit wat men in dezen, op grond van aan de privaat-kapitalistische produktie- en toeëigeningswijze ontleende noodzakelijkheden eenmaal als zoodanig heeft gecodificeerd, daar een absoluut recht niet bestaat. Zoo ziet men dat men met dezen „rechts”-staat in hetzelfde kringetje rond kan blijven draaien. De staat op te lossen in de samenleving kon niet, want dan miste men de rechtsbescherming en bevordering van de privilegiën van den eigendom, de veiligheid van het bezit en het profijtelijke van de staatsorganisatie in het algemeen. Andersom liep men het groote gevaar een te sterken staat te krijgen, waardoor alweer de macht tot uitbuiting over de arbeidersklasse dreigde beknot te worden; en dat niet alleen, maar ook het andere gevaar werd daardoor grooter, n.l. dat een te sterke staat meer en meer burgerlijk eigendom in den vorm van belastingen naar zich toe zou kunnen halen.