Note 1 — VI.
Reading edition
Hermelijn kon nog maar niet op haar gemak komen; haar schoonvader deed haar geen enkele vraag over haar reis, over haar familie, vertelde niets van het eenige, dat haar belang inboezemde, maar sprak over de ellendige haven van Samarang, over de moeite, die het kosten zou daarin verandering te brengen, over de ellendige bandjirs1, die in de laatste Westmousson de stad geteisterd hadden en die van het aangename, schilderachtige plaatsje uit de dagen zijner jeugd een akelig hol hadden gemaakt.