Note 1 — L.
Reading edition
»Hemel en hel zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is,” sprak de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl hij het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van den Merawoe ontrolde. »De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn lichaam nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs in den tijd der poewasa1, terwijl de grooten onder de Orang Slam2 hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de heilige meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij hebben de rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun muziek en het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet uit! Zie wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de menschen, die het bewoonden!”