Note 1 — I.
Reading edition
En ’t zou op den gewonen tijd avond worden, de gaslichten werden aangestoken, de komedies raakten in vollen gang, op de planken werd weer gezucht, gevloekt, gelachen, geweend, gedanst, in de zaal geapplaudisseerd en gebisseerd en niemand miste de bezoekers van gisteren, die op de zilten baren overwogen, hoe dat Holland toch zoo kwaad niet was, vooral als men goed geld op zak had en niet voor die eeuwige schulden bevreesd moest zijn, dat Indië toch eigenlijk erg tegenviel, en tot troost der aanstaande baren1, waarmee men zoo pas kennis had gemaakt, werd gezegd, dat niemand zijn land verlaten moest, die het niet volstrekt behoefde, dat in de Oost het geld ook maar niet zoo op straat te vinden was, dat er hard voor gewerkt moest worden, en meer van dergelijke aanmoedigende liefelijkheden.