Note 1 — II.
Reading edition
Henri deed graag aan die landelijke vermaken mee. Maar wat voor de anderen een eenvoudig tijdverdrijf was, werd voor hem een voorwerp van studie. Een half dozijn soorten van hommels waren algemeen bekend, verschillend door grootte, vorm, strepen en kleur. Sommige—dat wist iedereen—leefden onder de struiken, andere tusschen de hooge kruiden, nog andere, vlak bij den grond, in het korte en dichte mos; de grootste, wier blinkend zwart lichaam met goud gestreept was en van achter sneeuwwit, graafden als echte holbewoners hun nest op drie of vier voet onder den grond.
Het denkbeeld dat er, krachtens de theorie der geleidelijke ontwikkeling, veel meer verschillende soorten bestaan moesten, liet hem geen rust. Maar hoe kon hij die ontdekken en bemachtigen? Het middel was gauw gevonden. Hij bezat een zwarten poedel, met krullend en overvloedig haar. Men zou hem kunnen africhten op de hommeljacht en tochten maken in de bosschen, in de heide, in de polders, waar de jonge sportmen vroeger nooit kwamen. De proef gelukte uitstekend en tot verwondering van zijn kameraden had onze jonge natuurkundige weldra een twintigtal variëteiten bij elkaar, die hij onder bloempotten bewaarde. Zal ik er bijvoegen dat hij zich haastte er zeer wetenschappelijk en methodisch een monographie over te maken, die hij alleen aan zijn intiemen lezen liet?