Note 2 — Inleiding
Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation
Ik geloof niet, dat ik te veel beweer, als ik zeg, dat van al de Slaven de Serviërs het overvloedigst hun ziel hebben uitgestort in een poëzie, die volkomen, geheel en al nationaal is. Dat zou niet met dezelfde stelligheid gezegd kunnen worden van hun verhalen en legenden, die naar mijn meening minder karakteristiek zijn. Wel pleit hun verrassende analogie met het folklore van andere volken mee voor de eenheid in voorhistorische tijden van het geheele Arische ras. Het zou bijvoorbeeld belachelijk zijn voor eenig volk een sprookje als dat van “Asschepoester”2 als “nationaal eigendom” op te eischen, of eenig ander, dat eveneens, zooals hun, die eenige studie van het Europeesche folklore gemaakt hebben, wel bekend is, in vele talen voortleeft.