Note 8 — Hoofdstuk II. Bijgeloof en nationale gebruiken.
Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation
Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een monster in de gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop, vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling, met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses of keizerin.8