Note 7 — II. DE BIJENTEELT. (continued 4)
Reading edition
Frans Huber toonde aan dat ook jonger broed daartoe de geschiktheid bezit. Dzierzon bewees dat het er voor dienen kan, zoolang het nog onbedekt is, en geen ander voedsel dan de voederpap heeft genoten; (de bijen voêren de maden der werkbijen en der hommels, kort voor de sluiting der cel, ook met honig en bloemenstof). Leuckart verklaarde het verschijnsel door te wijzen op den invloed, dien eene ruimere en krachtigere voeding op de ontwikkeling der geslachtsdeelen uitoefent; (zie Bienenzeitung, 1855, No. 17 en 18).