← Table of contents
Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Note 1 — ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

„Nu, ja; zoo veel als mijn beroep dat toelaat. Ik ben, zoo als Hamlet zegt, vrij eerlijk, wanneer mijne cliënten en hunne procureurs mij niet gebruiken, om hunne weloverdachte leugens voor de balie te bepleiten. Maar, oportet vivere1! het is eene droevige waarheid. – Maar laat ons nu tot uwe zaken overgaan. Het verheugt me, dat mijn oude vriend Mac-Morlan u bij mij gezonden heeft. Hij is een werkzaam, eerlijk en verstandig man, was lange jaren substituut-sheriff van het graafschap ** onder mij, en bekleedt dien post nog. Hij weet, dat ik veel belang stel in die ongelukkige familie van Ellangowan, en bijzonder in de arme Lucie. Ik heb haar sedert haar twaalfde jaar niet gezien, en toen was zij, niettegenstaande de opvoeding van haren zeer onnoozelen vader, een aardig, lief meisje. Mijne belangstelling in haar ontstond echter reeds vroeger. Als sheriff van het graafschap, werd ik geroepen, om de bijzonderheden van een moord te onderzoeken, die niet ver van Ellangowan, op den dag waarop dit arme kind geboren werd, gepleegd was en die, door eene zonderlinge aaneenschakeling van omstandigheden, welke ik, helaas, niet ontsluieren kon, den dood, of ten minste het verdwijnen van haar eenigen broeder, een knaap van omstreeks vijf jaren, ten gevolge had. Neen, Mijnheer! nooit vergeet ik de ellende van de familie Ellangowan op dien dag. De vader half waanzinnig – de moeder onder eene ontijdige bevalling bezweken. Onder zulke omstandigheden kwam het hulpelooze kind schreiend in deze ongelukkige wereld, waar het nauwelijks iemand vond, om het op te passen. Wij, rechtsgeleerden, zijn niet van ijzer of steen, even min als gij, krijgslieden, van staal. Wij moeten met de misdaden en rampen van het burgerlijke leven omgaan, zooals gij met die, welke de oorlog naar zich sleept; en om altijd en in alle gevallen onzen plicht te doen, is een weinig ongevoeligheid misschien wel noodzakelijk. Maar de duivel hale den krijgsman, wiens hart zoo hard is als zijn zwaard, zoo wel als den rechtsgeleerde, die zijn gemoed, in plaats van zijn voorhoofd, verstaalt! – Maar ik verlies mijn geheelen Zaterdagavond! Wilt gij zoo goed zijn, mij deze papieren, met betrekking tot de zaak van Juffrouw Bertram, toe te vertrouwen? En kom morgen het middagmaal bij mij gebruiken, als ik u verzoeken mag. Ik eet om drie uur; maar kom een half uurtje vroeger. – De oude dame wordt Maandag begraven. Het is de zaak van eene wees en wij zullen een uur van den Zondag nemen, om er over te spreken, ofschoon ik vrees, dat er niets aan te doen zal zijn, wanneer de oude dame haar testament veranderd heeft, tenzij dit misschien binnen de zestig dagen gebeurd is en Juffrouw Bertram aantoonen kan, dat zij volgens de wet erfgenaam is, weshalve.… Maar, luister! mijne onderdanen worden ongeduldig over het ledig staan van den troon. – Ik verzoek u niet, kolonel, om verder deel aan ons feest te nemen; het zou te veel van uwe goedheid gevergd zijn. Dan moest gij den geheelen dag met ons doorgebracht hebben en trapsgewijze van wijsheid tot vroolijkheid en van vroolijkheid tot – hoe zal ik het noemen? – tot dartelheid overgegaan zijn. – Goeden nacht! – Hendrik! breng gij den kolonel naar huis. – Mijnheer Mannering! ik verwacht u morgen even over twee uur.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings