← Table of contents
Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Note 1 — TWEEDE HOOFDSTUK.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Ofschoon wij reeds zooveel van den heer zelven medegedeeld hebben, moeten wij nog den lezer eenigszins bekend maken met zijn makker. Deze was Abel Sampson, gewoonlijk, als onderwijzer der jeugd, „Dominé1 Sampson” genoemd. Hij was van geringe afkomst, maar had sedert zijne vroegste jeugd een zoo buitengewonen ernst getoond, dat zijne arme ouders de meeste hoop koesterden, dat hun zoon nog wel eens den weg tot den kansel zou vinden. Bij dit eerzuchtige vooruitzicht bezuinigden zij op alles wat zij bedenken konden, stonden vroeg op en gingen laat te bed, aten droog brood en dronken koud water, om den kleiner Abel het noodige onderricht te verschaffen. Maar ongelukkig werd de arme Sampson door zijne lange, onbevallige gestalte, door zijne stilzwijgendheid en zijn ernstig gedrag, zoowel als door eene belachelijke gewoonte om met armen en beenen te zwaaien, en zijn gezicht, onder het opzeggen van zijne les, te vertrekken, den school kinderen ten spot. Op de hoogere scholen te Glasgow ging het hem even zoo. De straatjongens liepen gewoonlijk samen, als Dominé Sampson – dezen eeretitel had hij toen reeds – met zijn woordenboek onder den arm uit de Grieksche klasse kwam en zijne lange misvormde beenen uitspreidde, welke op zonderlinge wijze maat hielden met de bewegingen van zijne ongemeen groote schouderbladen, waarop een kale zwarte rok, zijne gewone en eenige kleeding, op en neder bewogen werd. Zoodra hij sprak, waren alle pogingen van den hoogleeraar (hoewel een professor der theologie) te vergeefsch, om het onophoudelijk gelach der studenten te keer te gaan of om zelf ernstig te blijven. Het uitgestreken bleeke aangezicht, de groote uitpuilende oogen, de zware benedenkaak, welke hij niet willekeurig op en neer scheen te kunnen bewegen, maar die door een inwendig ingewikkeld werktuig opgeheven en neergelaten scheen te worden, zijne heesche, onwelluidende stem en de gillende toon, waarin ze overging, als hij tot duidelijker spreken vermaand werd – dit alles bracht de lachspieren nog meer in beweging, waarbij dan nog de gelapte rok en gescheurde schoenen kwamen, welke, reeds sedert den tijd van Juvenalis, stof tot spotten met eenen armen geleerde gegeven hebben. Men weet geen voorbeeld, dat Sampson hierover toornig geworden was, of zich op zijne plagers had zoeken te wreken. Hij sloop langs de eenzaamste paden, die hij vinden kon, uit de hoogeschool naar zijne ellendige woning, waar hij, voor achttien stuivers in de week, op eenen stroozak slapen en, als de huisvrouw eene goede bui had, bij haar vuur zijne lessen leeren mocht. Onder deze benauwde omstandigheden verwierf hij nochtans veel kennis van het Grieksch en Latijn, en bleef ook in de andere wetenschappen geen vreemdeling. Met den tijd werd hij dan ook kandidaat in de godgeleerdheid, en verkreeg dus het recht in den kansel op te treden. Maar helaas! op den predikstoel stond hem eensdeels zijne beschroomdheid in den weg en, ten andere, barstte de geheele vergadering, bij zijne eerste proef, zoodanig in lachen uit, dat de arme man geen woord meer uitbrengen kon. Hij hoestte en opende den mond, zijne oogen rolden vreeselijk, hij sloeg den bijbel dicht, struikelde de trappen van den predikstoel af, en liep de oude vrouwen, die hier gewoonlijk hare plaats hadden, bijna omver. Sedert dien tijd noemde men hem niet anders dan den verongelukten predikant. Nu keerde hij, met verloren hoop en zonder vooruitzichten, naar zijne geboorteplaats terug, om de armoede zijner ouders te deelen. Daar hij vriend noch vertrouwde, ja nauwelijks éénen bekende had, vond niemand gelegenheid om nauwkeurig waar te nemen, hoe Dominé Sampson een ongeluk droeg, dat aan het stadje, waar hij opgetreden was, gedurende acht dagen stof tot lachen gaf. Het zou zelfs een werk zonder einde zijn, de ontelbare aardigheden te willen opsommen, waartoe het aanleiding gaf, beginnende met eene Ballade, „Sampsons Raadsel” geheeten en geschreven door een vluggen jongen student in de philosophie, en eindigende met de uitdrukking van den vriend van den Deken van de faculteit, dat „Sampson”, niet als Simson op zijne vlucht, de poorten van den tempel meêgenomen had. Naar den schijn, ten minste, werd zijne lankmoedigheid ook hierdoor niet geschokt. Hij zocht, door het oprichten van eene school, zoo veel te verdienen, dat hij zijne ouders ondersteunen kon en had spoedig leerlingen genoeg, maar zeer weinige inkomsten. De zonen der pachters konden hem geven wat zij wilden; van den armen man nam hij niets; en het strekte den eersten weinig tot eer, dat de arme onderwijzer nooit zoo veel verdienen kon, als een bekwame knecht achter den ploeg. Hij schreef echter eene goede hand, en verdiende dus nog iets door afschrijven van rekeningen en het stellen van brieven voor den heer Ellangowan. Deze, die zeer afgezonderd leefde, schiep langzamerhand behagen in het gezelschap van Sampson. Aangename gesprekken kon Sampson zekerlijk niet voeren; maar hij was een goed toehoorder en kon het vuur op den haard goed aan den gang houden. Hij beproefde ook wel eens de kaars te snuiten; maar nadat hij, bij twee mislukte proeven, de kamer in duisternis gehuld had, gaf hij dit eerzuchtig streven om beleefd te zijn ook op, en bepaalde van nu af zijne diensten hierbij, dat hij juist op hetzelfde oogenblik zijn glas aan den mond bracht, als zijn begunstiger, en met onverstaanbare tonen zijne toestemming mompelde, zoodra de heer van Ellangowan zijne eindelooze, verwarde verhalen sloot.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings